Jacob Israƫl de Haan
O, de weenende regen…
Aan: Henri Borel
Ergens kraait een haan luid.
Regen weent zijn zeer geluid,
Over de stad,
Helpeloos nat
Bedropen druipt mijn dichte ruit.
Het ruisen van den regen rint,
In ‘t ruisen van den wijden wind,
Zonder vreugde wat
Levend in stad,
Vrees ik den dag die dagen begint.
De dichter, voor vrienden beter bekend als “Joop de Haan”, was begin van de twintigste eeuw bevriend met Henri Borel. De Haan had een voor die tijd nogal schokkende roman Pijpelijntjes (1904) geschreven waardoor hij verstoten was door zijn SDAP vrienden en niet meer voor het Volk mocht schrijven. Hij kwam als een van de eersten uit de kast. In een herinnering aan hun vriendschap, schrijft Borel dat hij eens met hem door Amsterdam wandelde en de Haan hem vroeg “Durf je nog met me te loopen?” (Het Vaderland 2 juli 1924)
De Haan werd in 1924 vermoord.